Vanaf nu schrijf ik op zondag voor onbepaalde tijd een blogbericht over iets wat me bezighoudt.
Ik heb iets met taal, wat inhoudt dat ik ook wel mijn pet peeves heb als het daarover gaat. Woorden waaraan ik me erger. Gewoon, stomme woorden, die ik niet graag hoor en waarvan ik de zenuwen krijg. Uitdrukkingen ook. En soms ook bepaalde mensen die een bepaalde uitdrukking of een bepaald woord steeds opnieuw blijven gebruiken. Hatelijk.

Zoals Sabine Hagedoren van het weerbericht, die het altijd heeft over “een spatje regen”. Bah. Of Renaat Schotte. Renaat (Renaat! Kom maar Renaat!) is alomtegenwoordig tijdens de koers sedert 2023, en ik (en bij uitbreiding Meneertje Mertens) erger me wel eens aan bepaalde woorden die bij hem steeds terugkomen. Het is een grimmige zaak! Het is een certitude. David “de filosoof” Gaudu. Om het onderwerp neer te leggen…. Que? Praat normaal. Oh en Ruben van Gucht die te pas en te onpas by the way zegt. Laat dat toch.
Sommige namen van mensen, daar krijg ik het ook van. Niet dat ze er iets aan kunnen doen, maar dat maakt me niet uit. Zo was er een Griek die het goed deed op Wimbledon, en de commentator van dienst (een oud-leraar van Meneertje Mertens dan nog) vond niet beter dan constant en minstens twee keer per zin zijn naam Tsitsipás uit te spreken. Ik ging ervan over mijn nek. Of de wielrenner met de naam Plapp. Luke Plapp. Dat klinkt toch vies? Of Smukulis. De Letse wielrenner Smukulis. Die naam irriteert me gelijk een piepend krijtje op een schoolbord.

Er zijn ook doodgewone woorden in het dagelijks taalgebruik die me irriteren. Van die modewoorden of stomme dingen als “dagdagelijks” of “op de werkvloer” of “out of the box denken” of “uit uw comfortzone” en dat soort onzin.
Net als “absoluut”, dat is ook zo’n woord waar ik mee oplet. Voor je het weet zeg je het altijd en overal en gaat het irriteren. Net als dat “ik heb zoiets van” van een tijdje geleden. Ook het gebruik van “dat is een dingetje” probeer ik te weren (hoewel ik het onlangs nog gebruikte, haha).
Er zijn die uitdrukkingen uit het dagelijkse, doodgewone taalgebruik. Zoals “hij heeft iets neergepend”. Ja ’t zal, wie pent er nu nog iets neer, en het klinkt gewoon achterlijk ook. Hij heeft iets geschreven is goed genoeg.
Of iets helemaal anders: een homp brood. Bah. Wat klinkt dat toch smerig. Een homp brood. Nee, hoef ik niet.
Dooddoener: kids. Gebruik dat woord toch niet. Het zijn kinderen. Trouwens: je klanten zijn geen “klantjes” maar je klanten. Punt.

Nog zoiets. Al die zaken met een onnozele naam, liefst dan nog met een verkleinwoord. Hondentrimsalon ’t Pootje. Frituur ’t Brochetje. Verschrikkelijk irritant vind ik het. Kampioenen in dwaze namen: crèches. Babynestje. Pimpampukje. Olleke Bolleke. De Bezige Bijtjes (ja, een alliteratie maakt het helemaal af!). De Bijdehandjes. En zo kan ik nog wel even doorgaan.
“Geef er een lap op”. Nope. Overused. Of nieuwe woorden als “staycation”. Daar heb ik het ook al compleet mee gehad.
En zo van die woorden die gewoon doodgewoon zijn, maar waar ik een hekel aan heb. Zoals het woord “smullen”. Ik weet het, het is compleet onzinnig, maar ik kan dat woord niet uitstaan. Smullen. Het Smulhuisje. Ze smulde van het verhaal. Hij smulde van de pannenkoeken. Aaaaaaaaaargh!

Nog een uitsmijter? Allez, waarom niet. Skottelbraai. Een soort oven die door kampeerders gebruikt wordt. Skottelbraai. Wat een vreselijk afschuwelijk woord, en alleen al daarom ga ik zo’n oven nooit ofte nimmer gebruiken.
Heb jij ook zo van die woorden die je niet kan uitstaan? Of ben je verdraagzamer dan ik?
PS: misschien erger jij je wel aan de Engelse woorden die ik gebruik, of de Vlaamsche woorden, haha!
PS2: ik kwam de illustraties bij dit bericht tegen tussen mijn foto’s toen ik zocht op de term schrijven. Ik erger me er helemaal niet aan, ze zijn zalig en schattig. Ze zijn van Lili natuurlijk, ze dateren van een jaar geleden, Lili zat toen in het eerste leerjaar.



Zeg het eens?