Het is nu bijna 3 maanden geleden dat ik “uit de kast” kwam met mijn depressie, depressie die ik jarenlang (of zelfs meer dan dat) verborgen had voor iedereen, mezelf incluis.
Eerst en vooral: ik kreeg veel reacties, ook achter de schermen. Bij sommigen maakte wat ik schreef iets los, en daar gingen ze iets mee doen. Daar ben ik blij mee. Het zorgde voor inzichten, die ook reflecteerden op mezelf. Het zorgde voor herkenning, en ook daar kon ik voor mezelf iets uithalen. Het was goed dat ik erover schreef, voor mezelf en ook voor anderen.
Hoe het nu gaat met me? Ik weet het eigenlijk niet goed. Ik ben in therapie en neem medicatie, en eigenlijk had ik daar meer van verwacht. In die mate dat ik me soms afvraag of het ooit echt beter wordt. Het gaat bij momenten wel beter, gelukkig maar, maar ik zak even gemakkelijk ook weer terug.
Ik merk van de medicatie vooral dat mijn emoties veel vlakker geworden zijn. En dat heeft wel degelijk voordelen. Ik ben rustiger, jaag me minder op, maak me minder gemakkelijk kwaad, er borrelt en suddert minder in mijn binnenste. Af en toe is er wel een soort vulkaanuitbarsting, waarbij ik gemakkelijker dan vroeger mijn kwaadheid kan uiten.
Door de medicatie verdween trouwens mijn steeds (al bijna 30 jaar lang) terugkerende droom (angstdroom – nachtmerrie) waarin ik droomde dat ik iets vergeten was (mijn avondritueel: pillen, tanden poetsen, lenzen – na een reis: mijn portefeuille? mijn bagage? mijn toiletzak? – toen de kinderen klein waren: laatste flesje? medicatie? baby tout court?), en dan in paniek wakker schoot. Dat is een opluchting, een grote opluchting. Slapen gaat bij momenten nog even slecht, maar meestal wordt een reeks slechte nachten toch afgewisseld met één of meerdere goede nachten.
Vooral uit de therapie komt er minder dan ik verwacht had eigenlijk. En dat ligt geheel en volledig aan mezelf: ik weet dat ik veel dieper moet graven, ik zou ook moeten schrijven, voor mezelf, en om de babbels bij de psychiater meer te structureren. Maar daar slaag ik voorlopig niet in, heb enorm het gevoel dat ik aan de oppervlakte blijf krabben, dat ik mezelf heel erg op de vlakte houd. Niet goed, maar voorlopig slaag ik niet in meer dan dat.
De vermoeidheid, die blijft. Puur fysieke vermoeidheid. Zo van die vermoeidheid die me overvalt en waarbij ik moet gaan zitten, of gaan liggen. Na een tijdje trekt het dan weer bij en kan ik verder.

Onze vakantie, die weken rondtoeren in Frankrijk in ons huisje op wielen, heeft enorm veel deugd gedaan. Ik heb genoten, we hebben prachtige dingen gezien, we hebben ons geamuseerd, ik voelde me deel van een team dat draaide als een goed geoliede machine.
De laatste jaren zakte ik na onze thuiskomt elke keer weer in een diep zwart gat, naar mijn gevoel elk jaar weer wat dieper. Dat is nu gelukkig gekeerd, door onze verhuis. Ik voel me heel goed in onze nieuwe thuis en onze nieuwe gemeente, waardoor ik met minder tegenzin terugkeerde, en waardoor ik minder vastloop in dat smerige moeras. Blijft wel dat de herfst en winter eraan komen, ik kijk niet bepaald met veel enthousiasme uit naar die lange, donkere, koude maanden. En dat is nog voorzichtig uitgedrukt.
Er zijn wel een aantal dingen die ik de laatste maanden begon te begrijpen. Zoals bijvoorbeeld:
Ik ben niet ongelukkig. Dat valt moeilijk te rijmen, maar depressie wil niet noodzakelijk zeggen dat je ongelukkig bent. Ik ben gelukkig met wat ik heb (en dankbaar ook), met mijn gezin, mijn familie, mijn vrienden, en ook gelukkig met het feit dat we materieel, financieel niet te klagen hebben.
Het zorgt er wel voor dat ik me soms een bedrieger voel, imposter syndrome, weet je wel? Het is zo moeilijk om die twee dingen samen te zien. Niet te denken: je hebt alles wat je je kan wensen, waarom ben je dan depressief? Ondankbaar kreng. Maar het zit gewoon anders in elkaar. Het wakkert ook mijn neiging om de dingen te minimaliseren aan. En uiteindelijk gaat het hierom: depressie is een ziekte, net als griep. Of kanker. Want daar lijkt het soms meer op.

Eind augustus ben ik ook weer overgestapt van werkloosheid naar ziekteverlof. Begin 2020 (ja? toen, denk ik) ben ik van ziekteverlof naar werkloosheid gegaan, omdat de controlearts van de mutualiteit vond dat ik nu wel kon werken. En ik durfde er niet tegenin gaan. Controleartsen… don’t get me started. Ik verkaste al snel naar GTB, omdat duidelijk was dat ik niet zomaar kon solliciteren en aan de slag gaan. En echt waar: alle lof voor GTB. Veel empathie, lieve mensen, begeleiding op maat, geen druk, geen dwang.
Desondanks bleek dat ik niet verder kon met dit traject, en stapte ik eind augustus dus terug over naar ziekteverlof (met akkoord van mijn huisarts en mijn psychiater).
Na ons verlof voelde ik me wat beter, en bedacht ik een schema waarmee ik hoopte wat meer dingen gedaan te krijgen. Ik gebruik nu een weekplanner, waarin ik zowel korte termijn als lange termijn planning bijhoud. Een “shortlist” van dingen die die week moeten gebeuren, en een “longlist” van dingen die ik mag spreiden in de tijd. Maar ik schrijf ze op, zodat ze niet meer in mijn hoofd rondspoken als “dat mag ik niet vergeten”.
Want net dat is één van mijn grote problemen: alles wat moet, dat spookt in mijn hoofd. Ik moet dit, ik moet dat, ik moet zus, ik moet zo, tot ik er onnozel van word. Naast alle “ben ik dat niet vergeten?” dingen. Ik weet het, onnozel, ja, maar het is er en het wil niet weg. Dus probeer ik het op te schrijven. Waardoor er al wat minder in mijn hoofd zit.
Die longlist en shortlist vulde ik na de vakantie aan met drie doelen: elke week fietsen, naaien en foto’s maken/bewerken.
Ik werkte met blokken van twee uren. Twee uren fietsen, twee uren rust, twee uren naaien, twee uren rust, in de namiddag foto’s bewerken. Dat fietsen natuurlijk niet alle dagen, ik stel het hier wat simpeler voor dan het was.
Maar in ieder geval: het werkte niet. Als ik fietste, kwam er niks van naaien, eigenlijk kwam er gewoon weinig van naaien. En dan kwam er weer weinig van fietsen. Zeg maar dag tegen het schema.
Ik had het er onlangs over met Meneertje Mertens, en die zei: je wil teveel. Je moet niets. En ik denk dat hij gelijk heeft. Tegelijk voel ik ook druk om teveel te willen: je moet fietsen, want dat is gezond. Ik moet naaien, want ik heb een hoofd vol plannen en die blijven daar maar ronddansen (ook die heb ik in dat longlist lijstje gegoten, zodat ze niet in mijn hoofd bloeien als vergeet-mij-nietjes).
Maar hoe moet ik het dan aanpakken? Ik weet het echt, serieus, niet. Een dag voorzien voor fietsen? En dan een dag voor naaien? (de foto’s zijn het grote probleem niet, dat doe ik tussendoor, sowieso).
En dan heb ik het nog niet over de fouten die ik maak. Vooral bij het naaien, dat vergt concentratie, en die is er niet altijd. Allez, niet echt vaak eigenlijk. En dan maak ik de onnozelste fouten eerst. Een mouw achterstevoren inzetten. Motiefjes in de verkeerde richting. Mijn spoel met zwart garen niet vervangen door wit en dus volledig opnieuw moeten beginnen. Maar, zoals ik hierboven aanhaalde: ik jaag me daar niet in op. Ik maak me niet kwaad. Het werkt niet op mijn zenuwen. Ik haal uit en begin opnieuw en that’s it. Alleen: het duurt lang.
Ik heb toelating om zelfstandig te worden in bijberoep tijdens mijn ziekteverlof, maar voorlopig lukt ook dat niet. Elke keer weer overvalt de angst me, angst voor allerlei dingen. Voor het financiële luik, voor alles wat erbij komt kijken (publiciteit, strategie, ondernemingsplan), angst voor de verantwoordelijkheid ook. Dus doe ik dat voorlopig niet.
Er is een cursus quilten die ik wil volgen, maar ook dat idee blijft liggen: wanneer ga ik dat doen? Ik krijg nu al niks gedaan!
En eigenlijk ook, een hamvraag: kan ik nog meedraaien in onze maatschappij? Kan ik het tempo, de druk, de drang naar perfectionisme… kan ik dat nog aan? Ik weet het niet.

Onlangs las ik dat Tom De Meester, PVDA-politicus in Gent, een burn-out doormaakte. Inderdaad, het was me niet opgevallen, maar de man was het afgelopen jaar heel stilletjes tot compleet weg van het politieke/publieke toneel. Hij schreef daar op Facebook over, en de laatste paragraaf van zijn bericht ging over de jacht op langdurig zieken. Blijkbaar moet je het meemaken om het echt te snappen. Maar het deed me wel deugd dit te lezen, want soms voel ik me naast die “imposter” ook een profiteur. Ik citeer hier (met zijn toestemming):
Ik wil nog één iets kwijt. Ik heb de voorbije maanden aan den lijve ondervonden hoe zwaar een burn-out er kan inhakken. Dan pas besef je echt hoe absurd en onrechtvaardig die jacht op langdurig zieken is. Ik had het geluk dat ik alle tijd mocht nemen die nodig was, er werd totaal geen druk op mij gezet, integendeel. Maar ik heb vaak zitten denken aan de vele anderen die vechten tegen een slepende burnout, moedeloos thuis zitten omdat werken simpelweg niet lukt, en dan te horen krijgen dat ze dringend ‘geactiveerd’ moeten worden. Mensen met een burn-out hebben tijd, rust, empathie, zeggenschap en ondersteuning nodig, geen controle-artsen, deadlines en financiële sancties.
En daarmee kan ik het alleen maar eens zijn.
Samenvatting van dit lange bericht: ik kan niet echt eenduidig zeggen hoe het gaat. Soms beter, soms slechter. De curve gaat wel naar boven, maar tergend traag. Ik vraag me wel vaker af of ik hier ooit ga uitkomen. Alles komt goed, ik weet het. Ik weet alleen niet wanneer.



Zeg het eens?