Meneertje Mertens aan het woord:
T-cel lymfoom. Eerlijk? Ik had er nog nooit van gehoord. Maar ja, ik ben ook geen dokter. Nu blijkt het plots mijn eigen diagnose te zijn na een lange zoektocht in diverse labo’s.
En ja, soms giert er dan door mijn hoofd: ik heb kanker, verdomme.
Ondanks dat probeer ik er zo positief mogelijk mee om te gaan. De chemobehandelingen zijn zwaar, en er staat ook nog een stamceltransplantatie gepland. Het is een lastig parcours, en het lastigste moet nog komen. Maar ik wil vooruit kijken. Ik wil blijven lachen — en liefst ook veel lachen. Humor helpt nu eenmaal, zelfs op moeilijke momenten.
Om mijn hoofd een beetje rustig te houden, probeer ik me zoveel mogelijk bezig te houden. Want als je te lang begint te piekeren, gaan je gedachten vanzelf alle kanten op. Alleen… aan die plotselinge paniekmomenten ontsnap je niet altijd. Ze komen onverwacht.

Wanneer ik een foto uit mijn kindertijd zie. Of als ik naar mijn familie kijk. Of tijdens een gesprek met Anne. Zelfs tijdens één van die lachbuien om onnozele dingen.
Dan denk ik plots: ik wil hier nog lang blijven. Ik wil mijn kleinkinderen zien opgroeien. Ik wil ook de kleinkinderen leren kennen die er misschien nu nog niet eens zijn. Ik wil onze kinderen hun leven verder zien uitbouwen.
En eerlijk gezegd had ik nooit gedacht dat ik zelf ooit met zoiets geconfronteerd zou worden.
Dan beginnen de vragen te komen. Waar komt die ziekte plots vandaan? Waarom wij, nadat Anne hiermee ook al geconfronteerd werd, nadat in onze families ook al zoveel emotioneel zware gebeurtenissen te verwerken kregen? Was dit ergens al bepaald bij mijn geboorte? Heb ik iets verkeerd gedaan in mijn leven? Had ik dit of dat anders moeten doen? Wat als het niet meer goed komt? Wat als ze zeggen: je hebt nog een jaar?
Meestal weet ik eigenlijk zelf al dat het vragen zijn zonder antwoord. Maar dat maakt ze niet minder aanwezig.
Wat ik wél weet, is dat ik de behandeling op een positieve manier wil blijven ondergaan. Ik wil vooruit kijken. Ik wil lachen, genieten van de kleine dingen en vooral blijven leven tussen de behandelingen door. Ik heb eigenlijk geen angst om te sterven, wel om diegenen die ik graag zie, achter te laten.
Er is wel nog iets veranderd sinds mijn diagnose. Ik merk op dat ik een stuk emotioneler ben geworden. Bij dingen waarom ik vroeger misschien gewoon eens moest glimlachen, kunnen de tranen me nu in de ogen springen. Een foto. Een moment met familie, een berichtje met steun van een vriend of een collega. Ik ben nooit de stoerste geweest, maar tegenwoordig voel ik me soms echt een beetje een watje.
De grootste trigger blijft toch wanneer ik naar onze kinderen kijk en zie dat ze het allemaal zo goed doen in het leven. Daar ben ik, samen met Anne, oprecht trots op. En die schatten van kleinkinderen natuurlijk, die zijn de grootste “watjestrigger”.
Maar weet je wat? Dat is eigenlijk ook oké. Misschien hoort dat gewoon bij het hele proces.



Laat een reactie achter bij Peter GreyReactie annuleren