Het Corona-virus zorgt ervoor dat we wellicht nog wel wat tijd in ons kot zullen moeten doorbrengen. En daarna misschien nog behoorlijk wat tijd in eigen land. Geen reis en geen reisverslagen, dus dacht ik: ik vraag aan mijn lezers en medebloggers om een gastblog te schrijven over hun woonplaats, om zo virtueel te kunnen rondreizen in België en eventueel ook het buitenland. Een oproep die gretig aanvaard werd, ondertussen hebben zich al 20 gastbloggers aangemeld! Wie dit nu pas leest en ook nog wil aansluiten, laat maar weten hè. Iedereen is welkom.
Vandaag aan zet: Lieve, een vree wijs mens uit Aalst dat ik leerde kennen tijdens mijn outplacement-procedure. Het klikte, het knetterde, we vonden veel overeenkomsten, en we hielden contact. Meer van Lieve lees je op De bril van Lieve, maar lees eerst maar eens haar gastbijdrage over haar geboortestad.
**********
‘Ik ben ier dorjust al iesj geweist want kat een broek mè toigerprint gezieng, mor menne maan zieta nie geirn. Mor k ben verdrom gekommen en kem ze moi toch gekocht, nèm (*),’ vertelt een wildvreemde vrouw me in de lift naar de ondergrondse parking. Haar ogen stralen van deugnieterij, ze geniet van haar kleine overwinning. Ik geef haar een high five en stap uit.
Terugkeren naar mijn geboortestad na een omzwerving van zesendertig jaar was één van mijn betere beslissingen. De aantrekkingskracht is altijd gebleven. Verkeersvrije winkelstraten, onder de grond verdwenen parkings, eenrichtingsverkeer en een grote diversiteit aan mensen en kleuren, het maakt allemaal niet uit. Aalst blijft voor mij Aalst, een stad die me omarmt en verwarmt.
Ik strijk neer op een terras op de Grote Markt en bestel een salade. Scholieren lopen broodjes etend met drommen voorbij, babbelend en knabbelend. ‘Asget nie wètj meegdet altèt vraugen hein,’ lacht de ober, wijzend naar het kruiswoordraadsel op mijn tafeltje. ‘En ast iet es mè graalèk veil letters, est garantie tettentoeren (**),’ vervolgt hij gekscherend. Hier kan een mens alleen maar vrolijk van worden, toch?
Ze leven graag, de Aalstenaars. En dat zal je geweten hebben: ze zijn luid, babbelen tegen een hond met een hoed op. Ze zijn nieuwsgierig, geven ongezouten hun mening. Ze kunnen ‘ambras’ maken en het volgende moment samen een pint pakken.  Ze hebben één ding gemeen: de liefde voor hun stad.
Wat me nog opvalt:
- ze steken hier de straat over alsof het de gewoonste zaak ter wereld is dat een auto voetgangers voorrang geeft, al is er in geen kanten of zijden een zebrapad te bekennen;
- op de achtergrond hoor je even vaak sirenes als in een gemiddelde aflevering van Ambulance;
- bijna geen enkele slager (zelfs niet Delhaize) verkoopt kippenwit met tuinkruiden;
- er zijn bijna geen groentewinkels, maar cafés in overvloed;
- iedere, maar dan iedere Aalstenaar is super fier op Utopia, de mooiste bibliotheek van Vlaanderen en omstreken.
Ook het stadspark met omliggend natuurgebied is niet te versmaden. Als tienjarige woonde ik in een appartement tegenover het park. Ik herinner me levendig hoe ik bijna iedere dag in de vakantie Jefke ging voeren. Jefke was een hert met indrukwekkend gewei.  Ik bracht hem appels, wortelen en al eens een peer. Het dier herkende me: zodra ik hem riep, volgde hij me overal. Hij at uit mijn hand.
De eendjes kwamen met drommen samen vanaf het moment dat ik een eerste broodkorstje in het water gooide. Toen al lette ik er op dat de grote en sterke dieren niet alles kregen, de kleinere en bangere dieren werden het beste bedeeld. Tot een gemene zwaan luid kwetterend achter me aan zat en ik gillend rende voor mijn leven.
Dat is Aalst: enerzijds volle café’s en terrassen, bruisende straten. Aan de andere kant een onwezenlijke rust en prachtige natuur. Voor elk wat wils.
Aalst leeft. Aalst spettert. Aalst is volks, tegendraads, levenslustig, eigengereid. Mijn DNA is Aalsters, daar ben ik nu zekerder van dan ooit.
(*) Ik ben hier daarnet al eens geweest, want ik had een broek met tijgerprint gezien, maar mijn man ziet dat niet graag. Maar ik ben teruggekomen en ik heb ze me toch gekocht.
(**) Als je het niet weet, mag je het altijd vragen. En als het iets is met heel veel letters, is het waarschijnlijk tettentoren (de Aalsterse benaming van het Belfort, nvdr).
Tettentoren, zo geheten omdat de cijfers de vorm van een borst hebben
Het brugje waar ik vijfenveertig jaar geleden de eenden voerde
Utopia, de mooiste bibliotheek van Vlaanderen





Laat een reactie achter bij ViefReactie annuleren