Ik heb er hier lang niet over geschreven, deels omdat ik er niet aan toe was. Deels omdat bepaalde mensen onderstaand verhaal niet via mijn blog moesten vernemen, maar one to one. Het duurde nogal lang voor ik helemaal zover was. Die tijd lijkt nu voorbij, het is tijd om te schrijven.
De dingen in twee woorden zeggen lukt me nooit, ik schrijf graag uitgebreid en omstandig. Dus: dit is een lange tekst. Een heel lange tekst.
Sommigen vragen zich wellicht af waarom ik hier zo weinig reageer. Wel, ik lees jullie reacties graag, ik moet er soms mee lachen, of om hoofdschudden, of knikken. En ik denk aan antwoorden. Maar ik antwoord niet. Ik kom er niet toe. Net zoals ik tot veel dingen niet kom. Naaien. Schrijven (meer dan een blogbericht). Slapen. Een tijdje lukte ook lezen niet, maar dat is nu opgelost met lichte lectuur. Het ergste is nog: het zijn de dingen die ik graag doe.

Waarom? Omdat ik depressief ben. Depressief, met een angststoornis erbovenop. Die heeft me al langer en vaker en eerder aangezet tot inertie. Tot het niet komen tot wat ik graag doe. En ook wat ik niet graag doe, eigenlijk. Ik lig niet uren na elkaar te wenen in mijn bed. Ik geraak wel uit mijn bed. Doe een basis aan huishouddingen. Soms moet ik tussendoor gaan zitten, omdat ik zo moe ben (gevolg van de kankerbehandeling? gevolg van de depressie? ik weet het niet, een combinatie van beide misschien). Ik zit in mijn zetel en in het beste geval haak of brei ik. Ik scroll op mijn computer. Ik speel spelletjes op mijn telefoon. Ik zeg tegen mezelf: om 9u begin ik eraan. Dan zeg ik: om 10u begin ik eraan. Dan is het 10u30. 11u. Enzovoort, enzovoort. En wat gebeurt er? Weinig.
Soms gaat het wat beter. Soms gaat het weer slechter. Mijn corona-besmetting was een enorme terugslag. Ik had hier (in Waarschoot) een maand heel goed geslapen, en ik was daar zo blij mee. En toen sliep ik wéér niet goed meer. Niet meer goed geslapen sedert dan. Weer in een put zakken. Er half weer uit krabbelen. De episode met mijn ma in Friesland onlangs was weer een terugslag. De zorgen, de ongerustheid, de spanning. De week erna, thuis, kreeg ik weer niets meer uit mijn handen. Gelukkig wel wat breien en haken, en wat onkruid wieden in de tuin.
Eigenlijk had ik al heel lang een depressie. Die ik heel mooi wist weg te steken voor iedereen. (steek uw hand op als ge iets vermoedde). Ik slaagde erin die depressie ook voor mezelf jarenlang weg te steken. Jarenlang, jarenlang. Verborgen depressie, hoogfunctionerende depressie. Op het laatst toen ik nog werkte, was het al goed fout gelopen. Want één van de zwaarste gevolgen bij mij van dat depressief zijn, is uitstelgedrag. Uitstelgedrag van de zwaarste soort. Van dingen die je niet mág uitstellen.

Toen werd ik ziek, en verzeilde die depressie op de achtergrond. Want ja, er was een lichamelijke vijand die moest aangepakt worden. Dat had prioriteit, en dat ik depressief was, ging helemaal naar de achtergrond.
Ik lachte ermee. “Ik word 50, heb kanker en ben mijn werk kwijt”. Grappig hè. Gitzwarte humor. En het léék ook alsof ik ermee kon lachen. Ik werd behandeld. Met succes. Maar of het zwaar was. En er bleef altijd een dreiging hangen. Want die uitzaaiing, weet je wel. De onbekende factor.
Dus dat ziek zijn, dat was toch geen eitje. Het werk kwijtraken ook niet. Ik had mijn opzegperiode, weer zo’n periode van inertie. Van worstelen met outplacement. Van worstelen met wat ik wilde. Compléét, maar dan ook compleet mijn richting in het leven kwijtraken. Wat wilde ik nog met werk? Wilde ik nog werken? Ik wilde vooral iets doen wat ik graag doe, maar da’s zo moeilijk, want ik heb zoveel (al dan niet ingebeelde) beperkingen op dat vlak. Mentaal, fysiek. Alle richting kwijt.

Vanuit de opzegperiode ging ik weer in ziekteverlof, want het ging niet. Huisarts was het met me eens. Toen kwam corona. Net op het moment dat ik allerlei papierderij in orde moest brengen, maar dat lukte niet. Deels door mijn uitstelgedrag, deels door corona. De al redelijk moeilijk benaderbare bastions mutualiteit en vakbond werden nog moeilijker benaderbaar. Een klein jaar later ging ik over op werkloosheid, de controlearts van de mutualiteit had me schrik aangejaagd en ik durfde niet meer op de mutualiteit blijven. Ik was bang. En ik werd steeds banger. Niets was nog in orde, en de angst vrat aan me. Ik durfde niet meer, wat gingen ze wel van me denken? Uitstelgedrag, gecombineerd met een immense angst.
En dit allemaal in mijn hoofd. Nergens anders. Niemand wist ervan. Zelfs Meneertje Mertens niet. Maar natuurlijk kon het zo niet voortgaan. (ah fuck en kijk, van het moment dat ik over deze periode begin, staan de tranen in mijn ogen. elke keer weer, elke keer opnieuw).
Ik sukkel echt verder, weet de dingen steeds moeilijker te verstoppen, maar het lukt me nog wel. Doodsbenauwd. Van de post. Van mijn mail. Van telefoontjes en SMS-en. Laat mij met rust!
Maar echt, het kan zo niet verder. En op een dag zit ik op Youtube naar een filmpje op Psych2Go te kijken. Een filmpje over de symptomen van depressie. En ineens vielen alle puzzelstukken in elkaar, en heb ik zitten wenen en wenen en wenen, uit herkenning. Het kan dit filmpje geweest zijn, ik ben het niet zeker.
Het was voor mij ook dat duwtje om alles aan te pakken. Ik vertelde het aan mijn dochter, en aan mijn schoondochter. En ik maakte een afspraak met mijn huisarts. Liters tranen heb ik vergoten in die week. Uiteindelijk vertelde ik het aan Meneertje Mertens. En ja, je kan wellicht al raden wat zijn reactie was. (en die van mijn dochter, en die van mijn schoondochter). Waarom heb je dat toch niet gezegd? Je moet toch niet bang zijn van mij?

Natuurlijk moet ik niet bang zijn van hem. Van niemand. Niet van mijn kinderen. Niet van de artsen. Niet van alle mensen die mij willen helpen. Maar angst is een vreemd beest. Angst zit in je hoofd, en vreet zich een weg door je hersenen. Het valt niet logisch uit te leggen. Het is ook wel een monster dat in de loop der jaren groeide en groeide. Want ik bleef functioneren, ik bleef doordoen. Ik zweeg, en de monsters in mijn hoofd werden steeds groter. Alles wat ik moet doen, lijkt me een berg. Waarvan het uren zal duren dat hij bedwongen is. Terwijl de meeste dingen maar simpele dingen zijn die op korte termijn geklaard kunnen worden.
Samen met mijn huisarts besloot ik met antidepressiva te starten, en in behandeling te gaan bij een psychiater. Psychiater die ik vlot vond (tip van de toenmalige buurvrouw), en bij wie ik gewoon direct kon starten. Maar het herstel zal een werk van lange duur zijn. Momenteel merk ik er echt weinig van. Behalve dan dat mijn angstdromen (die ik al 28 jaar meesleep) verdwenen zijn. Ik hoop ook dat de verhuis naar een plek waar ik graag woon, een goede invloed zal hebben. En naar onze vakantie kijk ik ook weer heel hard uit, da’s altijd een periode waarin ik me veel beter voel. Daarna val ik traditioneel in een zwart gat, maar ik hoop dat dat zwart gat hier in Waarschoot wat minder diep zal zijn.
Meneertje Mertens heeft me ook geholpen de administratieve chaos die ik gecreëerd had, te ontwarren. En de knoop is ontward, alles is in orde nu. Een beetje tot mijn verwondering, eigenlijk, want de start was héél moeizaam. Maar blijkbaar zijn er bij de mutualiteit en de RVA mensen met begrip. Het duurde maanden om alles recht te zetten, maar ik ben blij dat alles in orde gekomen is, en dat ik nu weer met alles in orde ben. Was dat gemakkelijk? Neen. Maar nu had ik Meneertje Mertens altijd aan mijn zijde, die me moed inpraatte toen ik weer eens niet durfde.

Heel dit bovenstaande uitstelgedrag-verhaal is een serieuze bekentenis, ik heb dit aan maar heel weinig mensen verteld.
En nu gaat het, ja, zoals het gaat zeker? Niet veel beter, niet veel slechter. Suïcidale neigingen heb ik niet. Ik heb vooral die inertie, dat uitstelgedrag, de vermoeidheid. Meer vlakke emoties wel, sinds ik die pillen neem. Alhoewel ik uit mijn slof kan schieten. Als ik al uit mijn slof schiet, dan is het meteen luid en duidelijk. Gisteren was ik zo moe, de hele namiddag tegen de slaap zitten vechten, dan toch wat op bed gaan liggen, maar slapen? Neuh. Niet. Moe. Dat bleef. Wat heb ik deze voormiddag gedaan? Naar het patroon zitten staren dat op mijn tafel ligt. Want ik weet wel wat ik wil maken. Ik heb er zelfs zin in. Weet je, ik heb ZIN IN FIETSEN! Ik wil mooie dingen zien en maken. Maar ik geraak er niet, ik kom er niet toe. Ik zou willen schrijven, over dingen die ik wil vertellen bij de psychiater, om wat orde te scheppen, in mijn hoofd. Maar ook daar kom ik niet toe. De volgende afspraak nadert, maar weer staat er niks op papier.
Er is veel minder waar ik me zorgen om moet maken, nu, maar mijn gemoed blijft nog steeds bezwaard met allerlei niet uit te leggen zorgen. Soms, zoals vanmorgen, zit ik me af te vragen: wat weegt er nu in godsnaam op mijn gemoed? Er was iets, maar ik weet niet meer wat. Iets onbestemds dus. Hoe leg je dat uit? Ik weet het niet. Maar het is er wel, en het wil niet weg.
Dus ja. Dat speelt hier. Voor velen lijkt het alsof er niks aan de hand is, ik kan dat ook goed, doen alsof er niks aan de hand is. Maar ik heb een zwarte hond aan mijn zij. Of misschien eerder: een raaf. In mijn hoofd. Of een kraai. Of misschien een ekster? Zo’n brutaal lawaaierig beest dat alle blinkende plekjes uit mijn hersenen pikt.



Laat een reactie achter bij TamaraReactie annuleren