Stel ons voor aan je huisdier (pagina 63 opdracht 13)
OK. Ik heb een beetje van een probleem. Ik héb namelijk geen huisdier.
Ik weet het, het maakt van mij meteen een schlechte moeder. Want huisdieren hebben, dat is goed voor de kindertjes. Voor hun ontwikkeling en zo. En voor hun sociale vaardigheden en al.
Ooit, ooit hadden we eens vissen.
Toen kochten we nog 2 zwarte visjes bij, en gingen alle vissen prompt dood. Het aquarium belandde een tijd in de kelder. Toen probeerden we het nog eens opnieuw. Alles helemaal ontsmet. (dat is veel werk). Nieuwe visjes in het aquarium. En de visjes gingen prompt weer dood. Genoeg!
Er is hier veel gezaagd, maar er kwamen geen beesten meer binnen. Ik wil geen katten, ik wil geen honden. Mijn huidig dreigement is zelfs dat, als er hier ooit een hond binnenkomt, ik vertrek. Dan ga ik wel ergens anders wonen. Want dan is het mijn huis niet meer. Want in een huis met een hond voel ik me niet thuis. Kijk, ja, laten we eerlijk zijn en duidelijk zijn: ik heb een hekel aan honden. Ik ben een hondenhater. Wat een bekentenis zeg! Echt, ik moet niet hebben van honden.
En daarbij: wij hebben een piepkleine tuin, wij zijn zowat alle dagen uit werken, en dan een hond hebben, dat vind ik dierenmishandeling. En there is no f***ing way dat ik alle dagen met een hond ga wandelen. Putje winter in den donker? No way.
Een kattenhater, dat ben ik niet. Maar ik ben niet zo’n liefhebber dat ik alle nadelen bovenop de voordelen wil nemen (kattenhaar, katten kosten geld, geuren allerhande, kattenbakken opkuisen), nope. Doe mij maar een huisdierenvrij huis, ik heb al moeite genoeg om dát proper te houden.
Wat een zinnetje als “stel ons voor aan je huisdier” allemaal kan losmaken, ha.
(en ik vind dat het best meevalt met mijn kinders, ook al groeiden ze quasi zonder huisdieren op)



Zeg het eens?