Waar had ik het over in mijn vorige bericht? Dat het een overwinning was voor Milan én voor mij dat hij ’s vrijdags met de fiets naar school mocht.
En het ging goed. Heel goed. Ging. Tot vandaag. Om kwart voor vier was hij nog steeds niet thuis, daar waar hij normaal iets voor half vier thuis is. Ikke behoorlijk zenuwachtig. Dan hoor ik de deur opengaan. Oef. Hij is er. Dan zie ik hem binnenstappen.
Met een grote witte plakker op zijn kin. Mjah. Hij is gevallen. Op zijn kin. Gelukkig heeft een mama hem goed geholpen, zij heeft hem terug naar het secretariaat gebracht (hij was nog niet ver), en de zoon heeft zijn fiets teruggebracht. Op het secretariaat hebben ze zijn geschaafde kin ontsmet, een pleister op zijn geschaafde vinger gedaan, hem papieren meegegeven voor de verzekering, en hem verzekerd dat hij best naar de dokter zou gaan. Waarna hij erop stond dat ze niet naar huis zouden bellen, hij wilde met de fiets naar huis.
Hop naar de dokter, zijn kin was niet alleen geschaafd, er moest ook één draadje in. En dan was het ergste leed geleden. Behalve dat zijn kaak nog pijn doet van de schok, en hij niet goed kan eten van de pijn.
“Waarom moet mij dat toch altijd overkomen?”, vraagt hij zich dan vertwijfeld af. Zo zielig, het mannetje.

Laat een reactie achter bij fietsbultReactie annuleren